‘Geld is gemunte vrijheid’

Die uitspraak deed één van de mensen die ik jaren terug interviewde over het belang van lokale fondsenwerving. Een kernachtige formulering die de politiek-filosofische dimensie van fondsenwerving precies pakt.

Want waarom doen we met zijn allen zoveel moeite om met werk geld te verdienen? U? Ik? Iedereen op alle plekken van de aardkloot? Om te zorgen dat we eten en een warm dak boven ons hoofd hebben. Correct. Dan kun je daarna toch ophouden en lekker in een hangmat lanterfanten, het leven filosofisch beschouwen of plaatjes draaien vanuit je favoriete oorfauteuil? Ik hoor u denken: een hellend vlak… er zijn tientallen redenen om te willen of te moeten werken. Maar dwars door al die persoonlijke variaties heen loopt een rode draad.

Die rode draad is: werken-geld verdienen fungeert als instrument om sociaal te interacteren. De bekende bioloog Desmond Morris stelde dat werken niets anders is als de continuering van ons spelgedrag als kind. Middels werk verhoud je je tot anderen om je heen, bepaal je je plek in de samenleving. Hoe meer macht en invloed, hoe meer onafhankelijkheid je zelf hebt en (vaak) hoe afhankelijker anderen van je zijn. En hier zit ‘m de crux. Toen we geld als ruilmiddel gingen gebruiken, werd een flinke zak zilverlingen synoniem voor je status en je onafhankelijkheid in de gemeenschap. Met geld bepaalde je je eigen lot, en vaak ook dat van anderen. Toen. En nu nog steeds.

Als we onze focus richten op organisaties voor maatschappelijke verandering – goede doelen zeg maar – dan zien we ook hier het adagium opgaan van wie betaalt, bepaalt. Er wordt steeds minder betaald door Vadertje Staat. En onder striktere voorwaarden. De toekomst van de Nederlandse OS is bij voorbeeld buitengewoon onzeker. Steeds meer organisaties beseffen dat ze hun risico’s moeten spreiden en een duurzamer, meer divers financieel fundament voor hun activiteiten moeten creëren. Vaak komt dat besef laat, soms te laat. Goede raad is –letterlijk – duur en waar haal je die? In de theaters, musea en de kunsten is ‘cultureel ondernemerschap’ inmiddels het totem waarmee de bezuinigingsbijl wordt bezworen. Ook zorginstellingen en scholen verdiepen zich in doelgroepen, proposities, branding en hun toegevoegde waarde. Nooit gedacht toen ik 32 jaar geleden aan mijn marketingopleiding begon, dat die kennis nog eens zo populair zou worden!

Uiteindelijk zijn wij allemaal bezig met het bewijzen van ons bestaansrecht. Hoe beter we de taal spreken van onze bestaande of gewenste achterban, hoe sterker we onze missie ‘leven’, hoe helderder dat bestaansrecht is. Onomstreden. Door te zorgen dat wij naast morele ook economische steun in de vorm van middelen krijgen voor ons werk, kunnen we ook in deze tijd overleven. Zelfs bloeien.

Maar in de weerbarstige praktijk van dit crisisjaar vind ik dat bloeien persoonlijk nog best ’n lastige. Het heilige vuur bezielt me als ik voor een organisatie werk, wiens missie ik omarm. Daarmee gewapend, stap ik overal op af en breng ik bakken geld bijeen. Maar mobilizing resources voor mijzelf is toch weer net anders. Dan zit het calvinistische doe-maar-gewoon me soms in de weg. Ook observeer ik dit jaar dat, ondanks dat er meer dan ooit behoefte is aan brede fondsenwervingsexpertise, organisaties toch vaak niet ervoor kiezen om die extra expertise van buitenaf, via bureaus of zzp-ers zoals ik, in te kopen.
En zo pendel ik heen en weer tussen vertrouwen in de wetenschap dat ik een schat aan ervaring en kennis heb die nu meer dan ooit van waarde is, en de paradoxale ervaring dat ik die nu niet volledig kan inzetten.

We zijn als mens gelukkig niet gereduceerd tot de waarde van onze portemonnee.
Maar het stemt nederig om te ervaren hoezeer de afwezigheid van financiële zekerheid je basisgevoel van veiligheid kan aantasten. Ik heb veel respect voor de organisaties en mensen die hun balans weten te bewaren op dat slappe koord van de crisis. Gefocust blijven op hun doelen. Inventieve oplossingen weten te bedenken om de vele problemen het hoofd te bieden. En die, als het echt niet meer gaat en de poort gaat dicht, zelfs opnieuw durven beginnen. Zoals mijn Spaanse nichtje Alba (kunsthistorica, 23), die de moedige stap zet om te emigreren naar de andere kant van de wereld om in Uruguay een nieuw leven op te bouwen. Want na ettelijke slecht- en zwartbetaalde horecabaantjes beaamt ook Alba dat geld en werk voor haar vrijheid en geluk betekenen.

 

Comments are closed.